Eindexamen VWO: fouten betreffende opgave 3.

Vakinhoudelijk:

 

Wat betreft vraagstelling:

 

Voordeelbeginsel gedefinieerd met behulp van inkomstenbelasting

In het examen wordt gesteld dat het voordeelbeginsel betekent dat naarmate iemand meer gebruik maakt van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten, de te betalen inkomstenbelasting stijgt.

Deze definitie wijkt af van de definitie van dit beginsel zoals opgenomen in de domeinen. De leerlingen hebben geleerd dat er sprake is van een voordeelbeginsel (liever gezegd profijtbeginsel) als degene die profiteert van een dienst van de overheid ook degene is die daarvoor betaalt.

Zo geformuleerd voldoet de inkomstenbelasting niet aan het profijtbeginsel. Immers inkomstenbelasting betaal je niet vanwege het feit dat je overheidsdiensten aanschaft maar vanwege het feit dat je inkomen hebt verworven.

 

Hiermee komen we op het meest fundamentele punt van kritiek. De definitie van het voordeelbeginsel zoals deze in de opgave staat is fout. Er staat: naarmate iemand meer gebruik maakt van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten, stijgt de te betalen inkomstenbelasting.

Dit is voor de lezer niet te begrijpen. Wat bedoelen de opstellers van de vraag hier? Niet dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ontvangen van gratis overheidsdiensten en het betalen van inkomstenbelasting. Dat kunnen ze natuurlijk niet bedoelen want zo’n oorzakelijk verband bestaat er niet, noch micro, noch macro. Maar dat hadden ze natuurlijk wel moeten bedoelen als er sprake zou zijn van het profijtbeginsel. Immers we spreken van het profijtbeginsel als de belasting betaald moet worden omdat er gebruik wordt gemaakt van de overheidsdienst. Maar iedereen weet dat dit bij de inkomstenbelasting niet het geval is.  

Als de kandidaten dus moeten aantonen dat het huidige stelsel beter voldoet aan het profijtbeginsel dan het alternatieve stelsel dan moeten ze dus aantonen dat als er meer gebruik wordt gemaakt van overheidsdiensten dat dan de belasting stijgt. Maar dat kunnen ze natuurlijk niet aantonen. Ze kunnen alleen maar laten zien dat er een toevallig samengaan is van veel verdienen (en dus vel belasting betalen) en gebruik maken van overheidsdiensten. Het oorzakelijk verband is daarmee niet aangetoond, maar dat kon natuurlijk ook niet worden aangetoond, want dat is er niet.

 

Als je dus van een stelsel wil weten of het meer of minder voldoet aan het profijtbeginsel moet je op zoek naar oorzakelijke verbanden. Die oorzakelijke verbanden vind je niet door de Lorenz curven te bestuderen. Op die manier vind je alleen maar toevallig samengaan. Voor oorzakelijke verbanden moet je naar de concepten zelf. Inkomstenbelasting is conceptueel verbonden met het verdienen van inkomen, niet met het gebruik maken van overheidsdiensten. De oorzakelijkheid ontbreekt derhalve.

 

Met deze opmerking valt de bodem weg onder de hele opgave. Leerlingen wordt de schijn van oorzakelijkheid voorgehouden maar deze oorzakelijkheid ontbreekt ten enen male.  

 

 Wat betreft het normantwoord:

 

Huidig stelsel voldoet beter aan voordeelbeginsel

Het normantwoord van vraag 9c zegt dat mensen met een hoger inkomen meer profijt hebben van de overheid en dat die hogere inkomens zwaarder worden belast.

Dat de hogere inkomens meer profijt hebben van de overheid blijkt uit het feit dat de tertiaire inkomens ongelijker verdeeld zijn dan de secundaire inkomens. Dat zij zwaarder worden belast blijkt uit het progressieve tarief van de inkomstenbelasting.

Het andere stelsel voldoet slechter aan het voordeelbeginsel. Dit vanwege het feit dat iedereen dan even zwaar wordt belast. Deze bewering is onjuist zoals uit het volgende tegenvoorbeeld blijkt.

 

Tegenvoorbeeld:

Verdeel de samenleving in twee gelijke groepen. Van iedere groep profiteert een kwart van de mensen van de overheidsdiensten terwijl driekwart helemaal niet profiteert. De rijkste groep van individuen profiteert het meest, de andere groep minder.

Driekwart van de bevolking wordt in dit systeem onterecht belast uit het oogpunt van het voordeelbeginsel.

Stel we stappen over op een vlaktaks met een tarief lager dan het laagste tarief van het huidige stelsel. Voor driekwart van de bevolking geldt nu dat het voordeelbeginsel beter wordt toegepast. Immers voor driekwart van de bevolking geldt dat hun te betalen belasting meer in overeenstemming is met het gebruik dat zij maken van de overheidsdiensten.

 

Het voorbeeld laat zien dat het niet mogelijk is met behulp van een Lorenz curve iets te zeggen over de mate waarin wordt voldaan  aan het profijtbeginsel. Een Lorenz curve is een maat voor gelijkheid terwijl het profijtbeginsel aangeeft in welke mate een persoon betaalt voor hetgeen hij krijgt van de overheid.

 

Een en ander heeft voor de leerlingen grote gevolgen. De leerlingen weten dat de Lorenz curve verdelingsvraagstukken betreft. Ze weten dat deze een indicatie geeft voor een grotere of kleinere mate van gelijkheid. De leerlingen weten ook dat het profijtbeginsel daar niets mee te maken heeft.

 

 Huidig stelsel voldoet slechter aan beginsel van moeizame verkrijging

Het normantwoord van vraag 9d zegt dat het huidige stelsel slechter voldoet aan het beginsel van moeizame verkrijging dan het alternatieve stelsel. Immers het huidige stelsel kent een lagere heffing op fictief vermogensinkomen terwijl inkomen uit vermogen wordt verkregen tegen geringe opoffering.

 

Alle leerlingen die economieonderwijs hebben genoten weten dat rente op vermogen verkregen wordt ter compensatie van drie zaken, inflatie, risico en tijdsvoorkeur. Dit betekent dat iemand die zijn geld op de bank zet daarvoor een beloning wil hebben. Ook al zou er helemaal geen inflatie zijn en ook als hij geen enkel risico zou lopen dan nog dient hij gecompenseerd te worden voor het feit dat hij pas op een later tijdstip over zijn geld kan beschikken. Geld nu is meer waard dan geld over een aantal jaren.

 

Inkomen uit vermogen wordt dus niet verkregen zonder iets op te offeren. Inkomen uit vermogen wordt verkregen door af te zien van een alternatieve aanwending. De opofferingskosten van het hebben van vermogen bestaan uit een alternatieve aanwending waarvan wordt afgezien. Wat dat betreft verschilt inkomen uit vermogen niet van inkomen uit arbeid. 

 

We kunnen dus concluderen dat inkomen uit vermogen niet tegen een geringere opoffering wordt verkregen dan inkomen uit arbeid. We kunnen dus ook niet concluderen dat het huidige stelsel slechter voldoet aan het beginsel van moeizame verkrijging. Immers we hebben niets om de vergelijking te kunnen maken.

 

 

Verschil Lorenz curve secundair en tertiair inkomen uitsluitend door profijt overheidsdiensten

Het normantwoord van 9c zegt dat mensen met een hoger inkomen meer profijt hebben van de overheid. Dit blijkt uit de grotere ongelijkheid van de tertiaire inkomens in vergelijking met de secundaire.

 

Het profijt waar het hier om gaat moet, volgens de gegeven definitie van het voordeelbeginsel, voortkomen uit het gebruik dat gemaakt wordt van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten.

Aangezien tertiair inkomen in de opgave niet wordt gedefinieerd kunnen de leerlingen niet anders dan de gebruikelijke definitie hanteren. Dit betekent echter dat het tertiair inkomen niet alleen verschilt van het secundaire inkomen vanwege het gebruik dat wordt gemaakt van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten maar ook bijvoorbeeld door de BTW die wordt betaald.

Dit betekent dat uit het verloop van de Lorenz curve helemaal niets geconcludeerd kan worden over de mate waarin gebruik is gemaakt van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten. A fortiori kan er dus ook niet worden geconcludeerd dat de rijkere groepen meer gebruik maken van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten.

 

In de voorbereiding naar het eindexamen toe worden de leerlingen getraind goed gebruik te maken van de definities van de verschillende concepten. Het al of niet goed beantwoorden van een vraag komt vaak neer op de correcte toepassing van een detail in een definitie,

 

 Stilistisch:

 

9b verkeerd geformuleerd

Bij vraag 9 staat onder punt b dat je in de kolom van je keuze tweemaal een + en tweemaal een – moet invullen. Deze formulering is misleidend.

De leerlingen kiezen geen kolom maar kiezen een stelsel. Vervolgens kun je ze dan vragen om in de kolom waarin het door hen gekozen stelsel staat genoteerd plussen en minnen te plaatsen.

 

Nogal wat leerlingen hebben de zin zo geïnterpreteerd dat de plussen en minnen over de twee kolommen mogen worden verdeeld. Het antwoordmodel laat hiervoor echter geen ruimte.

 

 Compositorisch:

 

Compositiefout bij opgave 9

De zin “Gebruik hierbij de informatie … curve” staat geplaatst onder 9d maar hoort bij b, c en d. De leerling kan dat natuurlijk niet weten.

 

Beoordelend:

 

Antwoordmodel onduidelijk over vraag 9b

Wanneer is deze tabel verkeerd ingevuld? Krijg je altijd 1 punt als er twee plusjes en twee minnetjes staan? Immers er staat: te denken valt aan.

 

Antwoordmodel voldoet niet aan opdracht

In de opgave wordt gezegd dat je gebruik moet maken van de informatie over de beide stelsels, de beginselen en de Lorenz curve. In het antwoordmodel worden wisselend één of twee van deze aspecten gebruikt. Blijkbaar is dat genoeg maar de leerling kan dat natuurlijk niet weten.

 

 Conclusie:

Wellicht mogen we het College voor de Examens voorstellen opgave 3 geheel te laten vervallen, omdat de fundamenten van de opgave ondeugdelijk zijn.

 

 Job Andreoli

Arnold Heertje

Peter Lammers

Rolf Schöndorff

 

--------------------------------------------------------------------------------------------

 

Zie ook de brief die is verstuurd aan mevrouw Hielkema: 

 

Geachte mevrouw Hielkema,

 

Tegen de achtergrond van onze constructieve mondelinge en schriftelijke contacten omtrent de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen en dat van het economieonderwijs in het bijzonder, neem ik graag de vrijheid mij tot u te wenden omtrent een onderwerp, waarvan de afwikkeling wellicht een zekere urgentie vergt. Het onderwerp betreft het eindexamen economie VWO, dat jl woensdag is afgenomen en waarvan de correctie door de scholen, resp, docenten economie thans in volle gang is.

Zoals uit de website van de Vecon (forum) blijkt is er een levendige discussie ontstaan over verscheidene onderdelen van het examen, zowel over de vragen als de normantwoorden. Er is echter één opgave, waarbij sprake is van een combinatie van stilistische, compositorische en vakinhoudelijke fouten in een zodanige mate, dat een snelle beoordeling van uw zijde is geboden. Het gaat om opgave 3 over belasting heffen. Een grondige analyse van deze opgave is hierbij gevoegd, opgesteld door de heren Drs. J. Andreoli, (docent Trinitas Gymnasium Almere), ondergetekende (betrokken bij Vossius Gymnasium Amsrterdam en Trinitas Gymnasium Almere), P. Lammers (docent Barlaeus Gymnasium Amsterdam) en Dr. R. Schöndorff (auteur van enkele economie methoden).

Wij stellen ons voor onze analyse, voorzien van suggesties omtrent de afwikkeling ter kennis te brengen van het onderwijsveld, maar niet dan nadat u ruimschoots in de gelegenheid bent geweest van onze beschouwing en ons voorstel, kennis te nemen. In het bijzonder dient hierbij te worden overwogen dat de leerlingen door de fouten in deze opgave 3 in onoplosbare verwarring zijn gebracht, waardoor ook een onaanvaardbare tijdsdruk is ontstaan.

Uiteraard ben ik voor overleg beschikbaar, indien daaraan uwerzijds behoefte is (06-55822767).

 

Met vriendelijke groet,

 

A.    Heertje.

Reactie toevoegen

Filtered HTML

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <strong> <em> <blockquote> <ul> <ol> <li> <img>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.