Eindexamen VWO: fouten in opgaven 10 en 19.

Vraag 10

Er wordt gevraagd uit te leggen hoe een toename van de schuld de oorzaak kan zijn van de afname van het particulier spaarsaldo.

Het particulier spaarsaldo is een macro-economisch begrip. Veranderingen van dit saldo behoeven een macro-economische verklaring. In de opgave ontbreekt echter een macro-economisch model. Hierdoor wordt het onmogelijk de vraag te beantwoorden.

Volgens het antwoordmodel zal het spaarsaldo afnemen omdat de particuliere sector minder te besteden heeft vanwege de oplopende rente. Dit antwoord voldoet  niet. Macro economisch gezien staat tegenover het betalen van rente als besteding door de een het ontvangen van rente als inkomen door de ander. Wat dat voor effect zal hebben op de besparingen van een land valt niet te zeggen. Daarvoor heb je een macro economisch model nodig. Er zal iets bekend moeten zijn omtrent het bestedingsgedrag van de betalers zowel als de ontvangers van rente. Je alleen richten op de betalers van rente, zoals in het antwoordmodel gebeurt, is fundamenteel onjuist. Zonder informatie over het consumptiegedrag van betalers en ontvangers, zonder informatie over de verdeling van het inkomen, kan er niets gezegd worden over het macro spaargedrag. De besparingen kunnen stijgen, dalen of gelijk blijven. Immers het effect op de besparingen door de betaling van rente door de ene groep wordt tenietgedaan door het tegengestelde effect op de besparingen door de andere groep. Alleen een model zoals dat bijvoorbeeld in opgave 1wordt gegeven, waar het consumptiegedrag opgesplitst wordt in dat van vermogensbezitters (de ontvangers van rente) en overigen (de eventuele betalers van rente), biedt de mogelijkheid dit soort vraagstukken op te lossen.

 

Wat gevraagd wordt is een geïsoleerde micro benadering (een deel van een model) te gebruiken voor het oplossen van een macro probleem. Dat kan niet en dus worden de leerlingen in grote problemen gebracht. De macro economische modellen waarmee ze normaal gesproken dit soort problemen te lijf gaan ontbreken.

 

Vraag 19

Er wordt gevraagd of de mate van frictiewerkloosheid in de VS hoger of lager is dan in
Nederland. Er is gegeven dat in de VS 8% van de werklozen langer dan 3 maanden werkloos
is terwijl dat in Nederland 32% is.
Uit de gegevens blijkt dus dat in de VS de meeste werklozen kortstondig werkloos zijn, dat
wil zeggen korter dan 3 maanden.

 

Frictiewerkloosheid ontstaat door fricties, wrijving, op de arbeidsmarkt. Vraag en aanbod
kunnen elkaar niet vinden. Iemand zoekt een baan, de baan is voorhanden, de persoon is
gekwalificeerd maar door hoge transactiekosten komt de verbintenis pas na verloop van tijd
tot stand. Waren de transactiekosten nul dan was er geen frictiewerkloosheid geweest. De
verbintenis was dan onmiddellijk gesloten. De zoektijd was dan nul. Iedereen was dan nul
dagen werkloos.

 

In de syllabus van de CEVO wordt het aldus verwoord: frictiewerkloosheid ontstaat als gevolg van het feit dat het vinden van een baan enige tijd kost.

 

Hoewel in de definitie van frictiewerkloosheid de tijd een prominente plaats inneemt wil dat
niet zeggen dat je tijd als criterium kunt nemen voor al of niet frictiewerkloos zijn. Om te
weten of iemand frictiewerkloos is zal je moeten weten waarom hij werkloos is (een vraag
naar de oorzaak). Als je dat eenmaal hebt geconstateerd kun je vervolgens kijken hoe lang hij werkloos is (een vraag naar een gevolg). Als dan bijvoorbeeld blijkt dat hij nu al 4 maanden werkloos is (het gevolg) kun je concluderen dat de frictiewerkloosheid (de oorzaak) een groot probleem vormt.

 

De leerlingen worden door de opstellers van de vraag ernstig in verwarring gebracht.
Ze weten dat frictiewerkloosheid veroorzaakt wordt door een niet goed functionerende
arbeidsmarkt. Ze zien dat mensen in Nederland langer werkloos zijn dan in de VS. Ze zien dat
de zoektijd in de VS kort is en in Nederland lang. Ze concluderen dat de fricties in Nederland
groter zijn. Volgens het normantwoord is dit fout.

 

Dat deze redenering van de leerlingen niet zo vreemd is moge blijken uit een vraag uit het
examen economie 1 van 2008 eerste tijdvak. Daar wordt gevraagd om te verklaren hoe het
vergemakkelijken van het ontslaan van personeel kan leiden tot minder frictiewerkloosheid.
Het normantwoord bij deze vraag zegt dat dat komt omdat de zoektijd korter wordt. Maar
dat betekent dat in dit land de mensen korter werkloos zijn. Korter werkloos zijn en lagere
frictiewerkloosheid worden in dit normantwoord dus aan elkaar gelijk gesteld. In het
normantwoord van het huidige examen is het echter precies andersom.

 

We kunnen stellen dat uit de duur van de werkloosheid niet geconcludeerd kan worden dat
iemand al of niet frictiewerkloos is. Om dat te concluderen moet je iets weten over de reden
van de lengte van de duur. Als er toch conclusies getrokken worden uit de duur blijkt dat op
twee manieren te gebeuren. We zien dit bij de leerlingen tijdens dit examen maar ook bij de
opstellers van het examen door de jaren heen.

 

Job Andreoli
Arnold Heertje
Peter Lammers
Rolf Schöndorff


Reacties

Hoe kunnen we de vraag nakijken? Want als het antwoordmodel leidend is, haalt bijna niemand een punt en dat is logisch gezien het bovenstaande... De vraag kan niet gesteld worden zonder aanvullende infromatie en het antwoord klopt ook niet per definitie.Groeten,Jeannette de Beus 

Reactie toevoegen

Filtered HTML

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <strong> <em> <blockquote> <ul> <ol> <li> <img>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.