Eindexamen VWO: antwoord op het commentaar.

Commentaar van het CvE 

Opgave 3


Een van de vormende elementaire beginselen van het economie-onderwijs is het aanleren van het denken in modellen. Dit kunnen formeel rekenkundige modellen zijn, maar een model kan ook bestaan uit een constructie die gebaseerd is op een aantal uitgangspunten en veronderstellingen.

Een kandidaat dient deze gemodelleerde situatie te accepteren, tenzij de vraagstelling aanleiding geeft tot het herzien van deze benadering.

De commentatoren gaan aan dit elementaire beginsel voorbij, want ‘een land ‘ (‘Azeria’) wordt voor hen ‘Nederland’ en ‘het voordeelbeginsel’ wordt voor hen het ‘profijtbeginsel’. Daar wordt vervolgens de kritiek op gericht.

Bovendien zouden leerlingen niet in staat zijn de informatie over het voordeel van de overheid uit de Lorenzcurve af te leiden vanwege de vermeende onjuistheid van deze benadering.

Voor deze opgave is onder andere gebruik gemaakt van een publicatie van het SCP die Profijt van de overheid heet. Daar is op diverse plaatsen sprake van een koppeling tussen dit profijt en de tertiaire verdeling.

 

Deze opgave is uitgebreid gescreend door het Cito. Uit deze screening is gebleken dat de opgave goed te doen is, maar  dat men bedenkingen had bij het gebruik van het begrip profijtbeginsel. Dit vormde de aanleiding om het voordeelbeginsel te introduceren en te voorzien van een definitie.
Ook de opmerkingen van de docenten uit de try-out, die vooral betrekking hadden op de instructie bij b, c en d zijn gebruikt om deze instructie aan te passen.

 

Toetstechnisch wordt de conclusie van de commentatoren betreffende de intelligente leerlingen niet ondersteund door de feiten. Uit de toets- en itemanalyse van het Cito blijkt dat de p-waarde van deze opgave dicht in de buurt komt van de gemiddelde p-waarde van het hele examen (58).

Dit wordt  ondersteund door de toets- en itemanalyse  van de try-out uit 2010.  

 

Het commentaar heeft verder betrekking op stilistische elementen.
Zo zou 9b aanleiding kunnen geven tot fouten, want een kandidaat zou op grond hiervan de beide kolommen gaan invullen. De schrijvers van dit commentaar laten de voorafgaande zin buiten beschouwing, waarin de kandidaat de instructie krijgt een keuze te maken. In 9b wordt nogmaals gewezen op de keuze.

Bij 9d zou er sprake zijn van onduidelijke plaatsing van de ‘gebruik’ instructie. De examenmakers hebben dit hier nadrukkelijk opgenomen om te voorkomen dat de kandidaat aan het verzinnen gaat. Eigenlijk is dit overbodig, want de kandidaat behoort te weten dat bij de beantwoording van vragen in een examen gebruikgemaakt moet worden van de verstrekte informatie / de context van de opgave.

We hebben gekozen voor een volledige opsomming en het is aan de kandidaat om daar mee aan de gang te gaan. Een van de vaardigheden die een kandidaat moet bezitten, is het vermogen gegeven informatie op bruikbaarheid te beoordelen. Indien een van de informatiebronnen niet bruikbaar is, moet dit voor de kandidaat een signaal zijn dat hij de andere bronnen moet gebruiken

De opmerking dat deze instructie ook bij b en c behoort, is onjuist. Zoals al aangegeven, behoort een kandidaat te weten dat bij de beantwoording van de vragen van een opgave, gebruik moet worden gemaakt van de context van de opgave.

Gezien de resultaten van de toets- en itemanalyse van het Cito, zijn de kandidaten, in tegenstelling tot de mening van de commentatoren hier prima toe in staat geweest.

 

Vraag 10

Uit de uitgebreide screening door Cito is duidelijk geworden dat het correctievoorschrift wel degelijk correct is. De examenmakers hebben door het gebruik van het begrip ‘kan’ slechts gevraagd naar een mogelijkheid en niet naar een noodzakelijkheid, zoals het commentaar lijkt te suggereren.

Bij deze opgave is gebruikgemaakt van Amerikaans bronnenmateriaal zoals een artikel van John Williamson waarin het onder andere gaat om het effect van rentebetalingen op  de effectieve vraag.

(https://edisk.fandm.edu/min/IST-325-Ecuador/What-Washington-Means-by-Policy-Reform.pdf)

 

Deze vraag is ook bij de VECON-vergadering aan de orde geweest, maar niet vanwege de door de commentatoren aangedragen argumenten. De VECON stelde de noodzaak van het noemen van de investeringen ter discussie met als argument dat er sprake is van een cp-situatie. Dit lijkt de examenmakers niet zonder meer juist omdat het nadrukkelijk gaat om het spaarsaldo waarin de investeringen opgenomen zijn.

 

Vraag 19
De examenmakers vragen niet naar een verklaring van frictiewerkloosheid, maar uitsluitend om in de verstrekte cijfers een indicatie te vinden van een verschil in de mate van frictiewerkloosheid. Het gaat hierbij niet om de betekenis van het begrip, maar om de operationalisering van het onderliggende idee van zoektijd / moeite / inspanning et cetera. Het is te doen gebruikelijk daarbij een termijn van 3 maanden te hanteren.

De informatie en de vraag zetten de leerling ook niet op het spoor dat de commentatoren kiezen, namelijk de beantwoording van de ‘waarom’ vraag.
De examenmakers geven ook met het woordje ‘kan’ in a aan dat het geen wet van Meden en Perzen is, maar dat er sprake is van een mogelijke indicatie.

 

 CvE

Utrecht, 7 juni 2012.

 

Commentaar op het commentaar van het CvE 

Opgave 3:

We zullen ons in eerste instantie richten op het gebruik van een “model” en op de definitie van het “voordeelbeginsel”.

Wij zijn ons heel goed bewust van het feit dat het in deze opgave gaat om een fictief land. Wij willen er echter wel op wijzen dat we dan nog niet van doen hebben met een model. Een model is een gesloten systeem van logische betrekkingen. Daar is hier absoluut geen sprake van. Zo moeten leerlingen gebruik maken van de Lorenz curve van de tertiaire inkomens. Hoe kunnen zij weten wat daar allemaal in is opgenomen als daar geen definitie van is gegeven? Hoe kunnen zij weten dat er in dit land blijkbaar wel gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten worden geleverd maar geen BTW wordt gevraagd?

 

Maar als we van deze kritiek afzien dan moeten we constateren dat het CvE helemaal niet heeft begrepen waar ons belangrijkste punt van kritiek op is gebaseerd. Wij maken bezwaar tegen de definitie van het voordeelbeginsel. Een beginsel duidt op een noodzakelijkheid, niet op een contingente correlatie. In het SCP wordt dan ook terecht niet gesproken over een profijtbeginsel waar de inkomstenbelasting aan zou voldoen, maar over het profijt dat de hogere inkomens zouden hebben van gratis of gesubsidieerde overheidsdiensten. 

 

 

Vraag 10

Uw reactie gaat geheel voorbij aan onze principiële kritiek dat men geen vragen kan stellen wanneer er geen (in dit geval) macro-economisch model is gespecificeerd.

Verder hebben wij in ons commentaar helemaal niet gesuggereerd dat er een noodzakelijk verband moet zijn tussen de toename van de schulden en de afname van het spaarsaldo. We hebben ook heel goed begrepen dat de examenmakers vragen naar een mogelijke oorzaak. Wat we hebben gesteld is dat de mogelijkheid gegeven door het antwoordmodel niet voldoet. Het betalen van rente leidt in principe niet tot meer of minder sparen. Als de examenmakers echter vinden dat dat wel het geval is zullen ze dat in hun antwoordmodel moeten opnemen. Ze hadden dan moeten zeggen dat het negatieve effect van de betaling van rente op de bestedingen groter is dan het positieve effect van het ontvangen van rente. Als je dat er niet bij zegt kun je iedere betaling van diensten als negatief beschouwen voor de besparingen. De examenmakers hebben hier een macro probleem op een micro niveau opgelost. Dat is nu precies waar we onze leerlingen voor proberen te behoeden. Als een leerling zou zeggen dat het spaarsaldo afneemt omdat de mensen zoveel aan onderwijs besteden omdat ze graag hogerop willen hadden we het ook niet goed gevonden. Dan hadden we gezegd dat dat een beetje kort door de bocht is. We hadden dan gezegd dat je niets over het spaarsaldo kunt zeggen op grond van dit soort acties. Meer uitgeven door een groep mensen aan onderwijs kan op macro niveau van alles betekenen. Waarschijnlijk leidt het macro economisch overigens tot meer besparingen, omdat het nationaal inkomen stijgt.

 

 

Vraag 19

We geloven zeker dat de gegevens aanleiding kunnen zijn te denken dat er sprake is van meer frictiewerkloosheid in de VS. Alleen geloven wij dat er even zo goede redenen zijn te denken dat het tegenovergestelde waar is. En we hebben aangegeven dat door de jaren heen de examenmakers er ook wisselend over denken.


 

Reactie toevoegen

Filtered HTML

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <strong> <em> <blockquote> <ul> <ol> <li> <img>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.