Schrale voorstelling van rol mens in economie is onjuist

Onder de kop ‘De economische mens bestaat niet, en toch houden we dat idee vast’ wordt in het FD van 24 oktober aandacht besteed aan de Zweedse econome Katrine Marçal die in haar boek Who Cooked Adam Smith’s Diner? enkele heikele onderwerpen aan de orde stelt. Zij valt met de deur in huis door de rol van het welbegrepen eigenbelang als een fundament van de moderne economische theorie af te schilderen.

 

Het behartigen van eigenbelang moge in het economisch leven belangrijk zijn, daarmee is het nog geen hoeksteen van de economische wetenschap. De economie houdt zich bezig met de economische aspecten van menselijk gedrag. Die bestaan uit het beschikken over schaarse middelen met het oog op het bevredigen van behoeften. De door Marçal ten tonele gevoerde moeder van Adam Smith laat zich bij de verzorging van haar zoon wellicht leiden door gevoelens als moederliefde, het belang van haar zoon en andere overwegingen, maar haar handelen kent een economisch aspect waarvan de analyse volledig binnen de moderne economische theorie valt. Haar werkzaamheden in de huishouding vallen onder het overigens gender-neutrale productiebegrip dat de economie hanteert, ook al ontbreekt de registratie door bureau’s van statistiek.

 

De economische analyse is niet beperkt tot één concrete doelstelling of concrete motivering van het economisch handelen van consumenten, werkgevers, werknemers en anderen die transacties met elkaar aangaan. Het gaat telkens om mensen van vlees en bloed die in uiteenlopende rollen deelnemen aan het economisch verkeer en daarbij een waaier aan motieven, overwegingen, emoties en drijfveren ten toon spreiden of zich daardoor onbewust laten leiden. De schrale voorstelling die Marçal van de mens in de economie geeft (allemaal hetzelfde, gedreven door eigenbelang) is derhalve onjuist.

 

Iets anders is, dat de misverstanden over het karakter van de universele economische wetenschap in de hand worden gewerkt door de feitelijke gang van zaken in het economisch leven. Daarin is het herleiden van subjectieve behoeften van burgers aan goed onderwijs, de gezondheidszorg, het behoud van natuur en milieu, tot uitsluitend meetbare calculaties en perverse financiële prikkels, schering en inslag. De economische wetenschap kan niet worden verweten dat in de economische politiek de betekenis van kwantitatieve economische groei wordt verabsoluteerd, het streven naar financieel gewin dominant is en de bureaucratische besluitvorming op gespannen voet staat met het humaniseren van het economisch leven door de behoeften van de patiënten in de zorg, de studenten in het onderwijs en de huurders van woningen van corporaties op de voorgrond te plaatsen. In de economie als wetenschap is van een geloof in de ‘rationele economische mens’ geen sprake. De mens handelt zoals hij handelt en derhalve in subjectieve zin altijd rationeel.

 

Nu in de praktijk het getij geleidelijk keert en de kwaliteit van het bestaan de eenzijdige nadruk op kwantitatieve rendementen verdringt, is anders dan Marçal het voorstelt, de economische wetenschap gereed om debesluitvorming over niet-calculeerbare doeleinden van individuen en samenleving voor te bereiden, te begeleiden en te concretiseren. Onverschillig of het gaat om de kwaliteit van onderwijs, zorg, ruimtelijke ordening, cultuur, leefmilieu of het buiten de markt om verdelen van beschikbare donornieren (Nobelprijs Alvin Roth, 2012). Het ruime welvaartsbegrip dat de behoeften van mensen van nu, van straks en waar ook ter wereld omvat, maakt de welvaartstheorie tot het hart van de economische wetenschap.

 

Marçal brengt de onzichtbare hand van Adam Smith ter sprake. Dit denkbeeld behelst het verband tussen het behartigen van individuele belangen en een maatschappelijk optimaal resultaat. In de moderne theorie is vastgesteld onder welke omstandigheden deze stelling, die ten grondslag ligt aan de liberale visie op de samenleving, opgaat. Marçal ziet over het hoofd dat de economische theorie evenzeer heeft onderzocht, wanneer het behartigen van individuele belangen niet leidt tot een maatschappelijk optimale allocatie van de productiemiddelen. Het dilemma van de gevangenen uit de speltheorie maakt duidelijk dat het verwezenlijken van individuele oogmerken in een niet-coöperatief kader een evenwichtstoestand oplevert die afwijkt van een maatschappelijk optimum. Dan is coördinatie van individueel gedrag nodig, bijvoorbeeld door de overheid, om een maatschappelijk betere toestand te verwezenlijken.

 

Geen van de vermeende karakteristieken die Marçal economie en haar beoefenaren toedicht, wordt aangetroffen in internationaal vooraanstaande leer- en studieboeken en evenmin in onze leerboeken voor het voortgezet onderwijs, waarin van een pluriform mensbeeld wordt uitgegaan. In de woorden van Hennipman in1945: ‘Omdat voor de economie de onderscheiding tussen rationeele en irrationeele behoeften geen betekenis heeft, kan het slechts verwarring wekken desondanks van rationeele motieven en rationeele overwegingen te spreken’. Daarvan is dezienswijze van Marçal een pijnlijke illustratie.

 

Arnold Heertje en Rolf Schöndorf zijn emeritus hoogleraar economie aan deUniversiteit van Amsterdam.

Reactie toevoegen

Filtered HTML

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <strong> <em> <blockquote> <ul> <ol> <li> <img>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.