Modellen en ethiek in de economische wetenschap

Modellen en ethiek in de economische wetenschap


In nummer 5 van TEO staan twee artikelen over het gebruik van modellen in de economische wetenschap. Het eerste is van Jeroen Hinloopen[1] die stelt dat het gevaar van modelmatig denken de verwaarlozing van dat denken is, de andere is van Frits Boersma[2] volgens wie de economische wetenschap onder vuur ligt vanwege de nadruk op cijfers en de afwezigheid van moraal, ethiek en waarde. Hinloopen trekt de vergelijking met de natuurkunde. “Zoals de bewegingen van de hemellichamen gehoorzamen aan de wetten van de natuurkunde, zo moet het model van de econoom de bewegingen van de economie omvatten.” Maar, zo waarschuwt Hinloopen, “gaat het in de natuurkunde over zuivere observaties van elementaire bewegingen, een econoom wordt geconfronteerd met de resultante van miljoenen interacties tussen even zovelen vragers en aanbieders, binnen een complex veld van prikkels en instituties”. Boersma verzucht: “Het lijkt allemaal heel logisch en elegant: kijk eens hoe overzichtelijk de wereld in elkaar zit, hoe dit prachtige model ons de werkelijkheid onthult. Intussen denk ik: waarom kun je niet gewoon zeggen dat door de concurrentie over het algemeen de prijzen dalen …”. Boersma doet ook een aanbeveling. Volgens hem laat Paul de Grauwe zien hoe het moet als deze laatste een onderscheid maakt tussen het rationele en het gevoelsmatige. De klacht is steeds hetzelfde. Economen denken dat ze met hun modellen iets van de wereld laten zien. Ze vergeten echter dat die wereld veel rijker is dan hun kille modellen ons voorhouden. Waar blijven de gevoelens, de ethiek en de moraal? Wat blijft er over van miljoenen interacties en prikkels? Hemellichamen kun je gewoon zien en hun bewegingen beschrijven maar mensen met hun verlangens en emoties daar zijn modellen niet voor geschikt, of in ieder geval moeten we daar zeer terughoudend mee zijn, zo luidt het bezwaar van zowel Hinloopen als Boersma.

 

Als Hinloopen stelt dat het in de natuurkunde om zuivere waarneming gaat omarmt hij het zogenaamde ideaal van Leibniz. Volgens dit ideaal kan ieder dispuut over feitelijke kwesties onpartijdig en ondubbelzinnig beslecht worden door de juiste regels van de wetenschappelijke methode toe te passen. De logisch empiristen gingen, in naam van ditzelfde ideaal, op zoek naar een inductieve logica. We weten inmiddels dat dit niet is gelukt en dat theorieën kunnen verschillen hoewel ze stoelen op dezelfde data. Thomas Kuhn sprak in dit verband van de ondergedetermineerdheid van theorieën door observaties[3] en Karl Popper van de theoriegeladenheid van waarnemingen[4]. Kuhn trok hieruit de radicale conclusie dat de verdedigers van die verschillende theorieën zelfs helemaal niet met elkaar kunnen communiceren en dat de wereldbeelden of paradigma’s die daaruit volgen incommensurabel zijn. Maar zover hoeven we zeker niet te gaan. Het feit dat er geen zuivere observaties bestaan wil nog niet zeggen dat de theorieën en de verschillende onderzoekstradities op geen enkele manier vergeleken en beoordeeld kunnen worden. Niets staat ons in de weg die tradities op hun resultaat te beoordelen. We kunnen kijken naar verklaringskracht, vernieuwing, progressie en vele andere praktische criteria. Voor het relativisme van Kuhn is dus maar weinig grond, maar wat wel blijft staan is dat zowel in de natuurkunde als in de economie geen plaats is voor zuivere observaties.

 

Boersma vindt werken met modellen overbodig. Volgens hem kun je het beter gewoon zeggen. Obscure modellen zijn nergens voor nodig. Hiermee sluit hij aan bij wat tot aan Newton heel gewoon was namelijk het minder begrijpelijke verklaren door middel van het meer begrijpelijke. Descartes, de bedenker van deze filosofie, zag wetenschap als een bouwwerk met als vaste ondergrond heldere en intuïtief begrijpelijke concepten[5]. Maar de praktijk haalde de cartesianen in. Newton kon niet uit de voeten met een wetenschap die gezuiverd moest zijn van obscure entiteiten. Zijn planetaire astronomie kon het zeer zeker niet stellen met alleen observaties. Hij introduceerde een onduidelijk en intuïtief niet te begrijpen concept te weten actie op afstand en hij noemde het gravitatie. Hiermee introduceerde hij een hypothese die refereerde aan een niet waarneembare entiteit. De hypothetico-deductieve methode was geboren. De wetenschappelijke standaard zoals die geformuleerd was door Descartes bleek niet houdbaar in de wetenschappelijke praktijk. Theoretische constructies werkten beter dan heldere intuïties. En zo gaat het steeds. We beoordelen een model niet op de helderheid van de concepten maar op praktische zaken als verklaringskracht en doeltreffendheid.

 

Daniel Dennett formuleert in “Real Patterns”[6] een mild realisme met betrekking tot psychologische toestanden. Een persoon heeft intenties en gelooft dingen. Je kunt je afvragen of geloof en intenties bestaan. Dennett noemt het reële patronen en vergelijkt een intentie met bijvoorbeeld een centrum van gravitatie (zwaartepunt). De aarde oefent aantrekkingskracht uit op ieder deel van de maan niet alleen op het gravitationeel centrum van de maan. Maar je kunt aarde en maan heel goed voorstellen als twee puntmassa’s van waaruit deze aantrekkingskracht plaatsvindt. Het zijn, zo stelt Dennett, heel goede abstracte objecten.  En zo is het ook met intentionele toestanden. Als je een persoon wilt begrijpen en vooral voorspellen is het heel handig om er vanuit te gaan dat hij intenties heeft. Om het vege lijf te redden als een psychopaat met een bijl op je afstormt kun je hem toch maar het beste zien als iemand met een doel dat hij van plan is op een rationele manier ten uitvoer te brengen[7]. Zo gek is hij nou ook weer niet!

 

Economen beschrijven mensen met behulp van nutsfuncties. Dit is mogelijk omdat hier sprake is van een ‘real pattern’ in dezelde zin als Dennett dat bedoelde voor psychologische toestanden[8]. De intenties van de psychopaat, het zwaartepunt, het centrum van de verloren sokken van Dennett[9] en het maximaliseren van nut door een consument zijn allemaal reële patronen. Ze bestaan, en niet alleen in de ogen van de waarnemer.

 

Het probleem dat Hinloopen opvoert is hiermee uit de wereld. Modellen geven helemaal geen beschrijving van de ‘waarneembare’ werkelijkheid. Dat doen die modellen niet in de natuurkunde, niet bij de beschrijving van de hemellichamen en ook niet in de economie. De opsteller van een model is op zoek naar een reëel patroon. Dat doet hij juist omdat er miljoenen mogelijkheden zijn. Zonder een patroon is er chaos. In de natuurkunde is dat zo en in de economie is dat niet anders.

 

Maar, zo luidt de kritiek van Boersma, waar blijft de ethiek en de moraal in zo’n model? Zijn economen wel op zoek naar de juiste patronen? Zien zij niet het meest essentiële in ons bestaan over het hoofd? Dat modellen correct zijn sluit immers in het geheel niet uit dat ze volkomen irrelevant zijn. Misschien is het verstandig dit argument met een voorbeeld te weerleggen. Het overlappende generatie model is hier bij uitstek geschikt voor.

 

Het overlappende generatie model[10].


Veronderstel een wereld waarin steeds slechts twee mensen leven te weten een moeder en haar dochter.  Iedereen leeft twee perioden. De eerste periode, als dochter, is de werkzame periode waarin twee broden worden geproduceerd. De broden kunnen alleen in de periode waarin ze worden geproduceerd geconsumeerd worden.  Aan het einde van de eerste periode schenkt de dochter het leven aan een kind en wordt ze moeder. De tweede periode, als moeder, is een totaal afhankelijke periode waarin de moeder niets kan produceren en voor voedsel afhankelijk is van haar dochter. De samenleving wil een zogenaamd sociaal contract waarin de relatie tussen moeder en dochter wordt geregeld. Overbodig te zeggen dat als er een contract wordt opgesteld er niemand zal zijn die de naleving ervan kan afdwingen. Het contract zal zichzelf moeten bewaken, oftewel het moet een conventie zijn en dus een Nash-evenwicht. David Hume leert ons dat conventies altijd herhaalde spelen zijn[11].

 

Een mogelijke conventie is dat je twee broden eet in je jeugd en je moeder aan haar lot overlaat. Het is een Nash-evenwicht maar het evenwicht is Pareto-inefficiënt. Een alternatief zou kunnen zijn dat je één brood aan je moeder geeft. Probleem is echter dat dit geen Nash-evenwicht is. De volgende conventie is dat echter wel: geef een brood aan je moeder als je moeder ook aan haar moeder een brood heeft gegeven. Probleem met dit Nash-evenwicht is echter dat het gedrag vereist van de spelers, wanneer afgeweken wordt van het evenwicht, dat niet rationeel is. Anders gezegd, dit evenwicht is niet subgame-perfect[12]. De conventie waarin een dochter alleen maar geeft als nooit iemand niet gegeven heeft in het verleden is wel subgame-perfect maar de gevolgen van een eenmalige afwijking van het evenwicht zijn desastreus. De vraag is of we een beter evenwicht kunnen vinden dat subgame-perfect is.

 

Noem een speler een conformist als zij haar moeder een brood geeft, op voorwaarde dat haar moeder handelde zoals een conformist dat moet doen, anders geeft zij niets.

 

Als zowel moeder als dochter conformisten zijn is dat een subgame-perfect evenwicht. Alleen de schuldigen zullen worden gestraft en er wordt van niemand irrationeel gedrag vereist als er onverhoopt iemand geen conformist is. Kortom deze regel voldoet aan alle eisen die we stellen aan een conventie en is dus zeer geschikt voor een sociaal contract. Een dergelijk sociaal contract kan stilzwijgend worden aanvaard maar er is niets op tegen om de termen van het contract kenbaar te maken. Door dit contract heeft deze mini maatschappij een conventie ontwikkeld die een goede vervanging is voor wat wel genoemd wordt ‘het cement van de samenleving’. De samenleving wordt hier namelijk bij elkaar gehouden door het belang van de spelers zelf. Moeder en dochter optimaliseren gegeven het gedrag van de ander. De mensen houden elkaar bij de les. Cement is hier niet nodig.

 

Het voorbeeld maakt duidelijk wat economen doen als ze een onderwerp behandelen op het gebied van ethiek. Ze houden ethiek of moraal buiten het spel als ze willen aantonen hoe een ethische regel kan ontstaan. Dat ze daarbij geen ethiek of moraal in de premissen stoppen valt uiteraard alleen maar te prijzen. Hadden ze dat wel gedaan hadden ze zich immers schuldig gemaakt aan ‘begging the question’[13]. Maar, zo wordt vaak gereageerd op dit soort modellen, een dochter geeft toch aan haar moeder omdat ze van haar moeder houdt, toch niet omdat ze dan later ook van haar dochter krijgt? Dat is zeker waar. Voor velen geldt dat. Maar soms is het handig dat instituties ook werken als de verschillende partijen niet van elkaar houden. Het bovenstaande model laat zien dat een samenleving niet uit elkaar hoeft te vallen als niet iedereen het beste met een ander voor heeft. Een ontwerper van instituties (een econoom) kan er daarom beter vanuit gaan dat de mensen die zijn instituties gaan bevolken ‘schelmen’ zijn[14]. Op die manier ontstaan er solide bouwwerken die tegen een stootje kunnen en alleen maar beter werken als iedereen deugdzaam is.

 

Modellen zijn onmisbaar in de economische wetenschap. Het gaat daarbij niet om zuivere observaties en ethische noties blijven buiten de aannames. Van de econoom wordt verwacht dat hij patronen vindt en ethische noties verklaart[15] of manieren geeft waarop een samenleving kan functioneren zonder van die noties gebruik te maken[16]. Nogmaals de econoom doet dat niet omdat hij denkt dat ethische noties geen rol spelen. Het tegendeel is waar. Hij wil óf die ethische handelingen verklaren, dus dan mag hij er geen gebruik van maken, óf hij wil er een substituut voor vinden en dan kan hij er geen gebruik van maken.

 

 


[1] Modelmatig denken

[2] Economie en waarde

[3] The Structure of Scientific Revolutions; 1962

[4] The Logic of Scientific Discovery; 1959

[5] Discours de la Méthode; 1637

[6] The Journal of Philosophy, vol 88, no. 1 (Jan., 1991)

[7] Om het gedrag van de psychopaat goed te begrijpen en vooral om te anticiperen op wat hij gaat doen is het verstandig om, zoals Dennett het noemt, de ‘intentional stance’ aan te nemen. Naast de ‘intentional stance’ kennen we ook de ‘physical stance’ en de ‘design stance’. Een zeer eenvoudig maar uitermate inzichtelijk voorbeeld van een wereld waarin je, ter verklaring van de verschillende toestanden van deze wereld, kunt variëren tussen deze ‘stances’ is Conway’s Game of Life (http://pmav.eu/stuff/javascript-game-of-life-v3.1.1/)

[8] Hiermee is uitdrukkelijk niet gezegd dat nut in de economie naar een psychologische toestand verwijst. Het tegendeel is waar.

[9] “Dennett’s lost sock center: the point defined as the center of the smallest sphere that can be inscribed around all the socks I have ever lost in my life.” (Real Patterns pag. 28).

[10] Ken Binmore: Fun and Games (1992)

[11] A Treatise of Human Nature (1738-1740)

[12] Een strategiepaar is een subgame-perfect evenwicht als het niet alleen een Nash-evenwicht is in het hele spel maar ook in iedere subgame van het spel of die subgames nou gespeeld worden of niet in het evenwicht. Het idee van een subgame perfect evenwicht kwam van Reinhard Selten.

[13] Petitio principii/cirkelredenering

[14] It is, therefore, a just political maxim, that every man must be supposed a knave; though, at the same time, it appears somewhat strange, that a maxim should be true in politics which is false in fact (David Hume; Essays Moral, Political, and Literary; 1741)

[15] Dit is de opdracht die Ken Binmore zich heeft gesteld in ‘Natural Justice’

[16] Zoals in het voorgaande voorbeeld

Reactie toevoegen

Filtered HTML

  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Toegelaten HTML-tags: <strong> <em> <blockquote> <ul> <ol> <li> <img>
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Regels en paragrafen worden automatisch gesplitst.